Over kolonisatie, beeldvorming en een beeldenstorm in ons hoofd.

‘Sorry seems to be the hardest word’

Elton John zingt in mijn hoofd dezer dagen, nu voor- en tegenstanders van excuses, van de Leopold II-standbeelden en -straatnamen over elkaar buitelen.

Heeft het zin om nog iets aan de discussie toe te voegen?

‘It’s a sad, sad situation’. De verschillende meningen tonen aan hoe hard we nog overhoop liggen met ons verleden. De witte medemens, die het zo moeilijk heeft met het besef van zijn arrogante autoritaire visie op samenleven. Met zijn denkbeelden over de maatschappij waarin hij tot de comfortabele meerderheid behoort. Met zijn overtuiging dat het allemaal nog wel losloopt met dat zogezegd structureel racisme, dat zwarten genoeg kansen hebben zolang ze ‘ons witte rechte pad’ volgen en vooral geen stenen gooien door etalages, of standbeelden bekladden. De witte hand is de hand die eten geeft. En de hand die eten geeft, is de bovenste. Dat willen we vooral zo houden.

De zwarte medemens, die zoekt naar een stem om te verheffen, en naar een toon die indruk maakt. Indruk op witte elite, politici, bedrijfsleiders, wetenschappers en leraren. Op iedereen die al veel eerder had kunnen luisteren, maar het niet de moeite vond. De medemens die in zijn hoofd nog steeds gekoloniseerd wordt. Die zich keer op keer dubbel moet bewijzen.

Onze zwarte zoon wil later een witte vrouw met blond haar, zegt hij. Wie kent het onderzoek dat de psychologen Mamie en Kenneth Clark, een Afro-Amerikaans echtpaar, in jaren 1930-1940 voerde niet? Ze gebruikten gekleurde poppen om de raciale perceptie van kinderen te testen. Aan kinderen tussen de drie en zeven jaar oud werd gevraagd welke pop ze verkiezen. Een meerderheid van de kinderen gaf de voorkeur aan de witte pop en kende er positieve eigenschappen aan toe. De Clarks concludeerden dat vooroordelen, discriminatie en segregatie een minderwaardigheidsgevoel bij Afro-Amerikaanse kinderen veroorzaakten en hun zelfrespect aantasten. In 2016 liet het experiment van de Nederlandse sociologe Armine Stepanyan in grote lijnen hetzelfde zien als de oorspronkelijke proeven van de Clarks in de VS. Vooral de antwoorden van de kinderen op de vraag ‘Welke pop vind je lelijk?’ waren heel significant. 85 procent van de kinderen met een ‘Nederlands’, ‘Marokkaans’ of ‘Turks’ uiterlijk wees de donkergekleurde pop aan. Zwarte kinderen kozen elk van de drie poppen ongeveer even vaak.

Wat zegt dat nu? De veronderstelling is dat je de pop van je eigen kleur verkiest, als je een positief zelfbeeld hebt. Bij zwarte kinderen is dat dus niet zo. Zij ervaren onbewust  dat een witte huid de norm is in de samenleving. Media, reclame, games … zijn allemaal voorzien van subtiele boodschappen. Ook in taal en symboliek is er steeds de neiging om positieve aspecten te associëren met wit en negatieve aspecten met zwart.

Het zelfbeeld van zwarte kinderen wordt aangetast door de minderheidspositie die zij quasi overal innemen, door de beeldvorming over hen, door de verwachtingen die de witte meerderheid over hen heeft. Zoals een witte leraar zei over mijn zwarte zoon, toen die niet veel zin had om te studeren: “We kennen dat, dat zit er  in”. ‘Zwarten zijn lui’. ‘Zwarten zijn dom’, is wat hij bedoelde. In scholen, op de arbeidsmarkt, op de huurmarkt… racisme zit zo diep in onze cultuur, dat we het bij onszelf vaak niet herkennen.

Als wij als autochtone Belgen aan de Congolese bevolking onze excuses moeten aan bieden voor de kolonisatie van Congo – wat ik doe uit het diepste van mijn hart  – dan is het omdat onze overtuiging van de gedachte dat we ‘meer’ zijn, en zij ‘minder’, een voedingsbodem heeft in die periode. Leopold II heeft slaven gemaakt van het Congolese volk. Hij heeft het uitgebuit, vernederd, vermoord. En natuurlijk moet Koning Filip – en met hem de hele koninklijke familie – zich verontschuldigen voor de wreedheden waarvoor zijn verre voorouder verantwoordelijk is. Zoals België in het reine moet komen met die zwarte bladzijden uit haar geschiedenis, moeten de van Saksen Coburgs hun familiegeschiedenis en hun familie-ziel accepteren. Of wij nu, als land, of zij, als nazaten, nog politieke of juridische verantwoordelijkheden hebben, is irrelevant. We hebben morele verantwoordelijkheden t.a.v. die mensen die wij tot op vandaag koloniseren, in onze hoofden, in hun hoofden. Die verantwoordelijkheid weegt loodzwaar.

De moord op George Floyd, en een groeiende groep mondige en zelfbewuste Belgen met Afrikaanse roots, dwingen ons letterlijk en figuurlijk om van onze sokkel te komen. We hebben geen recht op die plek. Laat de beeldenstorm in onze hoofden maar beginnen. De schande van de etnische discriminatie moet stoppen.

Het verwijderen van standbeelden, excuses, aangepaste onderwijscurricula, … zal niet genoeg zijn. Het is een eerste stap. Streng bestraffen van racisme, invoeren van quota, praktijktesten, e.d. zijn een logisch en noodzakelijk vervolg.

Laten we vooral ook nadenken over hoe we een positief zelfwaarde-gevoel bij alle kinderen, zwart, wit en alle kleuren daartussen, kunnen realiseren. Zelfbewuste mensen zijn niet afhankelijk van wat anderen over hen denken. Zelfbewuste mensen vinden het niet nodig om hun zelf-waarde-gevoel op te krikken ten koste van anderen. Scholen moeten veel meer doen dan kennis, normen en waarden overdragen, schreef ik twintig jaar geleden al in mijn doctoraatsscriptie over wat ik toen ‘multi-etnische opvoeding’ noemde.  Als we een samenleving willen creëren zonder discriminatie, zonder structureel racisme, gaat het niet alleen om het aanvaarden van verscheidenheid, maar om het constructief inzetten ervan. Representatie als overdracht van normen, regels en inhouden, moet plaats maken voor participatie. Het gaat over oprechte betrokkenheid. De attitude van ouders én van leraren, nog veel meer dan het leerplan, zal bepalen of onze kinderen opgroeien met empathie en in gelijkwaardigheid. Reflectie van onze eigen positie en van onze eigen situatie is essentieel. We moeten onszelf in vraag durven stellen, als individu, als groep, als witte, als zwarte, als opvoeder, als Koning, parlementslid, rechter, politieagent. We moeten durven kijken door de bril van de ander.

Ooit beklommen wij in Ethiopië de beboste heuvels aan de rand van Addis.  Naast me liep een klein meisje, dat maar aan mijn rok bleef trekken. Ik keek niet opzij. Ik dacht dat ze een fooi zou vragen en had geen zin om iets te geven. Eens boven aangekomen, hadden we een adembenemend uitzicht. Het meisje zette zich naast me neer en glimlachte. Ze opende haar hand met daarin een blauw bloemetje. Ze glimlachte. Ik schaamde me diep. Terwijl ik dacht dat ze iets wou krijgen, wou ze iets geven.

‘It seems to me, sorry seems to be the hardest word.’